Een eigenzinnige kijk op wielertraining. VO2max training: the one and only! Of wat dacht u?

Vooraleer u zich druk maakt over de titel, leest u aub verder tot het einde.

 

Met het gebruik van de vermogensmeter groeide in de wielersport het besef dat data belangrijk zijn. Het was het signaal – niet in het minst onder invloed van de marketeers - om alles te meten wat maar kon gemeten worden. Hoe kon men anders die “bovenaardse prestaties” van Pogacar en een handvol andere supertalenten verklaren? Meten is immers weten? Toch? Het gevolg laat zich raden: een overvloed aan data waar de coach al heel snel door de bomen het bos niet meer zag zodat data-analisten – met weinig of geen kennis van inspanningsfysiologie – met Machine Learning en Artificiële Intelligentie soelaas moesten brengen.

Mag ik even? Meten is NIET weten en relaties zoeken op basis van foutieve of niet ter zake doende gegevens leidt tot foutieve besluiten en chaos. Ik zal niet ontkennen dat prestaties op topniveau in de kleine details zitten maar laat ons, gewone stervelingen, even terugkeren naar de basis van de trainingsleer. Vergeet hierbij niet dat wat zich nu in de trainingsmethodiek van het wielrennen voltrekt eigenlijk een “normalisatie” is van wat daar al jaren fout gaat en laat ons vooral niet misleiden door de big business die hierachter schuilgaat. Het is niet zo dat een prestatieverbetering voor de doorsnee wielrenner alleen nog kan via allesomvattende trainingsplatformen, dure wearables, voedingssupplementen of geheimzinnige algoritmes.

Laat het ons dus eenvoudig houden. Voor het leveren van een fysieke inspanning beschikt het lichaam over 2 systemen: het aerobe (voor wielrennen op de weg het meest belangrijke) en het anaerobe (veelal onderschatte) metabolisme. Beiden zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden want als de zuurstofvoorziening op bepaalde ogenblikken minder efficiënt werkt of als ze haar maximale bijdrage (VO2max) aan de inspanning heeft bereikt, dan komt het anaerobe systeem het aerobe ondersteunen. ONDERSTEUNEN! De graad van ondersteuning hangt hierbij af van de intensiteit van de inspanning maar een prestatie kan nooit zuiver anaeroob zijn.

Verder heeft het lichaam in normale omstandigheden ook de beschikking over 2 energiebronnen: vetten en suikers.

  • Lichaamsvetten als energiebron gebruiken heeft als voordeel dat die bron nagenoeg onuitputtelijk is. Het nadeel is dat deze vorm van energielevering “traag” is waardoor bij stijgende intensiteit de vetverbranding niet meer de nodige energie kan leveren.
    Wat is nog belangrijk om weten? In de eerste plaats het feit dat, zelfs als de vetverbranding op volle toeren draait, ook de suikers bijdragen aan de  energielevering. Ten tweede, vetverbranding is een proces dat zuurstof nodig heeft waardoor vetten in het anaerobe systeem niet verwerkt kunnen worden.

  • Suikers maken bijgevolg ten alle tijden deel uit van de energielevering maar door hun beperkte opslag- en inname capaciteit kan het zijn dat zij na verloop van tijd een beperkende factor in het leveren van duurinspanningen vormen.
    Niettegenstaande lactaat een bijkomende energiebron vormt, zal als gevolg van de eveneens vrijgekomen H+ ionen verzuring optreden wat nog verder de inspanning zal beperken.

Eenvoudig gesteld beschikt een renner dus over 4 “bouwstenen voor het leveren van een fysieke uithoudingsprestatie” die hij naargelang de wedstrijdsituatie kan of moet gebruiken om tot een voor hem maximale prestatie te komen.

Hierbij moeten wij ons 2 vragen stellen:

  1. “Wat is het fysiologisch profiel van die renner”? Met andere woorden: bij welke intensiteit zal en in welke mate kan een bepaalde atleet die 4 bouwstenen gebruiken?

  2. “Welke methodes staan ter beschikking om die 4 bouwstenen maximaal te ontwikkelen”?

Het antwoord is vrij eenvoudig. 

o   Voor de bepaling van het individueel fysiologisch profiel volstaat een eenvoudige doch erg performante analyse-methode op basis van het Extended Critical Power concept, geesteskind van prof. C. Dauwe. 

o   Voor het ontwikkelen van deze bouwstenen zijn VO2max trainingen inderdaad “the one and only”. Neen, niet de VO2max trainingen die nu in alle trainingsschema’s worden aangeprezen en waarbij gevraagd wordt intervallen af te werken aan ten minste 90% van de VO2max maar wel

ALLE trainingen, van de rustige duurtraining tot de meest intensieve intervaltraining.

Met uitzondering misschien van de heel korte maximaal explosieve inspanningen – dragen alle trainingen die u kunt bedenken bij tot het ontwikkelen van het maximale zuurstofopnamevermogen. Het verschil tussen de gehypete “VO2max trainingen” en de trainingen die wij bedoelen, zit hem in

de mogelijkheid om bovenvermelde hoekstenen mee te nemen in het verhaal:

willen we een bijkomend accent leggen op de aerobe vetverbranding, op de aerobe suikerverbranding of op het anaerobe metabolisme? Jawel ook het anaerobe metabolisme kan geprikkeld worden bij trainingen die het aeroob metabolisme stimuleren want zelfs bij inspanningen met een intensiteit lager dan de VO2max kan een anaerobe bijdrage noodzakelijk zijn. Dat anaerobe systeem zal zwaar belast worden eens het vermogen boven de waarde stijgt die de VO2 max uitlokt. Bij deze PVO2max kan de zuurstoflevering uiteraard niet meer toenemen en moet bijgevolg alle extra vermogen van het anaerobe systeem komen waardoor die inspanning binnen enkele minuten zal moeten gestaakt worden. Zoals hiervoor reeds aangehaald, zijn zeer zware inspanningen nooit zuiver anaeroob maar belasten ze zowel het anaerobe als het aeroob systeem maximaal.

In welke verhouding de lage, middelhoge en hoge intensiteiten binnen de waaier aan trainingen die het maximale zuurstofopnamevermogen willen bevorderen, moeten staan – de Training Intensity Distribution – om maximaal effect te hebben, is uiteraard een ander verhaal.

De tools die de coach/renner hiervoor ter beschikking heeft, worden op andere pagina’s van deze site uitvoerig beschreven en kunt u gebruiken via https://www.sportim.be/membership-request

Next
Next

Testing, the story.